plaatje
De stoomgemalen van de Beemster
Indexpagina
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De poldermolens van de Beemster
Opbouw
Locaties
Bedrijf
Ontevredenheid
Afbraak
Stoomgemalen
Verwijzingen
Jan van Egmond
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er een efficiënter en betrouwbaarder alternatief voor de windmolens beschikbaar: de stoommachine. Onder andere de bekende Beemsterling Wouter Sluis (1827-1891, veehouder, uitvinder, bestuurder) drong aan op vervanging van de windmolens door stoombemaling. In de periode 1877-1885 werden stoomgemalen gebouwd bij Oosthuizen (150 ipk), De Rijp (150 ipk) en Beets (140 ipk).



Op 30 maart 1871 besloten de Hoofd-Ingelanden enige deskundigen te vragen, een onderzoek in te stellen naar de oorzaak van en mogelijke oplossing voor het dikwijls vookomende te hoge waterpeil in de Beemster. Dit op verzoek van 133 ingelanden, 1900 bunder grond vertegenwoordigende.
Op 14 augustus 1873 deelde de dijkgraaf mee dat het rapport De verbetering der bemalingsmiddelen van het Waterschap De Beemster, uitgebracht door J.F.W. Conrad, J.C. de Leeuw, H. Linse en L.A. Reuvens, gereed was, gedrukt en aan alle stemgerechtigde ingelanden verzonden.

In 1875 verwierpen de Hoofdingelanden een voorstel van dijkgraaf en heemraden om "een hulpstoomgemaal te stichten in den Aremberger polder met aftapping daarin van den Midden en Bovenpolder en voorloopig behoud der molens". De kosten werden geraamd op ƒ 159.000,=, waarvan ƒ 145.000,= voor gebouw en machines.
Op 26 oktober 1876 werd het voorstel nogmaals in stemming gebracht, en ditmaal met 9 tegen 7 stemmen aangenomen.
Op 16 november kreeg W.T.A. Beyerinck, ingenieur te Amsterdam, opdracht een bestek te maken voor het te stichten stoomgemaal. Beyerinck had ook al een stoomgemaal geplaatst bij Mijdrecht, waarover een gunstig getuigschrift werd verschaft door de plaatselijke dijkgraaf.

Op 12 april 1877 waren er drie inschrijvers voor de machines voor het stoomgemaal bij Oosthuizen:
- Nederlandsche Stoombootmaatschaapij te Rotterdam voor ƒ 87.500;
- Maatschappij IJzergieterij De Prins van Oranje te 's-Gravenhage voor ƒ 79.992;
- Maatschappij De Atlas te Amsterdam voor ƒ 73.920. Aangezien De Atlas hiermee beneden de begroting van ƒ 75.000 bleef werd het werk aan deze firma gegund.
Ook waren er drie inschrijvers voor het gebouw:
- A. Bond te Utrecht voor ƒ 78.445;
- J. Boekholt te Amsterdam voor ƒ 74.900;
- B. van Weerde te Utrecht voor ƒ 73.498. Omdat Van Weerde nog ruim boven de begroting van ƒ 70.500 zat, raadde de heer Beyerinck het bestuur af om van zijn diensten gebruik te maken.
Na een herbesteding werd op 11 mei het werk gegund aan P. Verbruggen te Waddinxveen voor ƒ 71.271. Het bestuur schreef een lening van ƒ 160.000 uit.

Er waren vele sollicitanten voor de functie van machininst op het nieuwe gemaal in aanbouw. Een drietal werd daaruit geselecteerd om op 13 december 1877 examen te doen voor de heren Beyerinck en Jongens. F. van Nus werd daarna voor ƒ 70 per maand aangesteld, en tot zijn woning bij het gemaal gereed was ontving hij een toelage van ƒ 5 per week.
Op 18 april 1878 werd J.H. de Goede, werkzaam bij de Gebroeders Goedkoop te Amsterdam, per 1 juli aangesteld als stoker.
Op 12 december werd Jan Out door de machinist betrapt op nachtelijke diefstal van kolen, en onmiddelijk ontslagen.
9 januari 1879 stelde het polderbestuur de instructie voor de machinist vast, waarin werd bepaald dat hij afwezigheid of ziekte diende te melden bij de dijkgraaf resp. de opzichter.

Highslide JS Op 20 maart 1879 besloten de Hoofdingelanden tot het stichten van een tweede gemaal, bij De Rijp. Op 23 juli werd de heer Beyerinck weer als ingenieur aangesteld.

Op 4 februari 1880 waren er 25 inschrijvers voor het gebouw:
- de hoogste was A. Eisenberger voor ƒ 86.887;
- de laagste was P. Wilms voor ƒ 51.960. Hoewel Wilms ruim onder de begroting van ƒ 73.125 bleef, nam men vanwege de negatieve ervaringen met hem bij de herbouw van een molen in 1870/1871 nog geen beslissing.
Op 5 februari werd het gebouw gegund aan Pieter Vlasman te Bodegraven voor ƒ 68.830, hoewel er zes lagere inschrijvers waren.
Tevens waren er vijf inschrijvers voor de machines:
- de hoogste was Gebr. Schutte te Amsterdam voor ƒ 106.850;
- de laagste was weer de Maatschapij De Atlas te Amsterdam voor ƒ 73.600, aan deze werd het werk gegund.

Foto: Waterlands Archief.

Op 14 oktober 1880 werd J. van Voorden, machinist te Maarseveense en Tienhovense Plassen benoemd tot machinist van het gemaal bij De Rijp. De machinist van het gemaal bij Oosthuizen werd stoker bij De Rijp, in zijn plaats werd A. Smal machinist bij Oosthuizen.

Highslide JS 13 december 1883 stelde opzichter Van Kleef voor om een derde gemaal, bij de Beets te stichten omdat er "én met het oog op eventuele defecten der bestaande machines én om het water geheel machtig te zijn" aparte gemalen voor de Middenpolder en de Bovenpolder moesten zijn.
Pas op 26 juli 1884 besloot het polderbestuur voor de bouw van het derde gemaal weer ingenieur Beyerinck aan te stellen.

Foto: coll. Dirk Kuin.

Op 27 december 1884 gunde men de levering van de machines voor ƒ 57.500 aan de Maatschappij De Atlas, maar bijna tegen de voltooiing bracht deze het bedrag vrijwillig terug tot ƒ 55.000. Het gemaal werd voorzien van twee horizontale compound stoommachines van 140 ipk per stuk, elk gekoppeld aan een centrifugaalpomp, met een gezamenlijk verzet van 170 m³/min.

Op 1885 waren er 23 inschrijvers voor het gebouw:
- hoogste was A.H. Fennega te Grootegast voor ƒ 83.800;
- laagste was M. van der Lippe te Beemster voor ƒ 57.352;
Maar het werk werd na wat gesteggel weer gegund aan P. Vlasman te Utrecht, voor ƒ 62.838.
De heer Hassink uit Amsterdam werd voor ƒ 115 per maand aangesteld tot dagelijks opzichter.

Op 22 oktober 1885 werd H. Cos uit de Starnmeer voor ƒ 840 per jaar benoemd tot eerste machinist bij de Beets, en P. Bruin uit Wormerveer voor ƒ 520 per jaar tot hulpmachinist.
Beemsterling Wouter Sluis bracht advies uit over een verandering aan de polderscheiding, hetwelk werd opgevolgd.

Op 30 juni 1887 werd het failissement van de Maatschappij De Atlas uitgesproken. Reparaties aan de stoomgemalen werden voortaan uitgevoerd door de Nederlandsche Stoombootmaatschappij te Rotterdam.



Op 15 december 1917 stelde de directeur van het Provinciaal Electriciteitsbedrijf voor om een plan te maken voor elektrische bemaling. Omdat het polderbestuur de huidige installaties echter nog zó goed vond, ging men hier niet op in.

Begin 1919 werd stoker J.Ph. Bok ontslagen omdat hij niet meer geschikt bleek voor nachtwerk, en het bestuur toch over voldoende nachtpersoneel wilde kunnen beschikken. Dit ondanks protesten van de Nederlandsche Bond van Werklieden in Openbare Diensten en Bedrijven.

Highslide JS Op 9 februari 1921 sloot het waterschap een contract met de Nederlandsche Fabriek van Werktuigen en Spoorwegmateriaal, genaamd "Werkspoor" te Amsterdam om voor ƒ 115.450 twee centrifugaalpompen, elk aangedreven door een dieselmotor van 100 pk, te leveren ter vervanging van de stoominstallaties uit 1877 in het gemaal bij Oosthuizen. J.W. Wittebrood te Beemster mocht voor ƒ 1840 de timmerwerkzaamheden verrichten, en voor ƒ 12.800 het ketelgebouw verbouwen tot slibberplaats en een smidswerkplaats maken.

Het gemaal was op 1 december 1922 klaar. Uit de proefbemaling bleek dat de wateropbrengst ca. 7 % hoger was dan de contractueel afgesproken 125 m³/min, en het brandstofverbruik ca. 10 % lager.


Foto: de vader van Dirk Kuin aan het krozen bij het gemaal aan de Oostdijk.
Coll. Dirk Kuin.

14 juli 1924 werd aan de N.V. Machinefabriek "Hoogenlande" v/h Pannevis en Zn. te Utrecht opgedragen voor ƒ 21.450 de stoominstallaties van het gemaal De Rijp uit 1880 te vervangen door twee draaistroom-elektromotoren van 130 pk elk met centrifugaalpompen met een totaal waterverzet van 140 ³/min. Het contract werd op 18 augustus getekend. J.H.J. de Haas te 's-Gravenhage mocht voor ƒ 3555 de ketels slopen.
Op 30 april 1925 begon de stroomlevering voor het nieuwe gemaal De Rijp, op 29 mei 1926 werd het bezocht door de kroonprins van Djokjakarta met gevolg.

Highslide JS In 1937 verbruikte het stoomgemaal aan de Noorddijk 308.860 kg steenkolen in 834 maaluren, 1938 was het verbruik 136.000 kg in 378 maaluren. Bron: Provinciale NH Courant 18 maart 1939.
De maaluren van het gemaal De Beets bedroegen:

1932  652      1940  1074      1945  690
1933  266      1941  1618
1934  340      1942  1814
1935  833      1943  1203
1936  897      1944  1516
1937  834      ----------
1938  378            7225
1939  701    gemidd. 1445
---------
     4901
gemidd.615
Foto: maart 1962, coll. Dirk Kuin.

Uit deze cijfers kon worden geconcludeerd dat het stoomgemaal niet dikwijls werkte, wat een motief zou zijn om het te laten vervallen; men kon er aan de andere kant uit opmaken, dat de bemaling als geheel nog niet zoveel te kort schoot. Het lag voor de hand, dat in normale tijden wanneer er geen brandstofschaarste was, het meest werd gewerkt met de andere gemalen, die altijd meteen gebruiksklaar waren.
Het gemaal werd na grondige afweging van diverse alternatieven ter versterking van de bemaling in 1947 versterkt met een dieselinstallatie, waarbij de stoommachine tevens in bedrijf bleef. Het dieselgemaal, fabrikaat Worthington met een capaciteit van 100 m³/min., was afkomstig uit de Wieringermeer, waar het dienst had gedaan bij het leegpompen van de geïnundeerde polder. De installatie werd tussen de beide bestaande pompen en stoommachines in geplaatst. Voor de waterafvoer werd een dikke bovengrondse pijp via het drie-licht raam-deur kozijn door de voorgevel heen gemaakt, die uitmondde over een bestaande ijzeren balk heen in de voorkolk. De radiateur en een circulatiepompje vonden een plaats tegen de scheidingsmuur tussen machinekamer en ketelgebouw. De kosten via Werkspoor werden geraamd op ƒ 60.000. Aangezien het alternatief, vernieuwing van de beide andere gemalen aan de Oostdijk en de Westdijk, door hoofdopzichter C.J. van der Oord op resp. ƒ 289.450 en ƒ 272.055 werden geraamd, was de tijdelijke dieselpomp een gunstige oplossing.

Op 7 april 1960 besloot het college van Hoofdingelanden uiteindelijk toch tot de uitvoering van een nieuw ontwateringsplan en de bouw van twee nieuwe gemalen bij Oosthuizen en De Rijp. De centrifugaalpompen van 205 m³/min, nog opvoerbaar tot 230 m³/min, zouden worden aangedreven door dieselmotoren van elk maximaal 364 pk. De bedoeling was om terug te gaan van drie naar twee gemalen, naast de vernieuwing van de gemalen aan de Westdijk en de Oostdijk waren flinke verbredingen van de toevoertochten nodig om het verval en de stroomsnelheid te beperken. Tegenover deze uitgaven zag men de afbraakwaarde van het stoomgemaal, en besparingen in het wegvallende salaris van een machinist en tijdelijke stokers, en voor het ketelbikken en onderhoud van het gemaal, terwijl de machinistenwoning verhuurd zou kunnen worden.

Highslide JS Op 1 mei 1962 werden de twee uit 1885 daterende stoominstallaties van het gemaal bij de Beets definitief buiten gebruik gesteld, en kort daarna afgevoerd. Harry Wijnhof was de laatste machinist en zijn buurman Klaas Meester een van de stokers. Voor een film gemaakt door de heer Bekhof uit Middenbeemster (voor de feesten van 1962?) zijn enkele opnames gemaakt toen het gemaal nog in werking was.
Na 1962 heeft de dieselinstallatie toch nog enkele keren "illegaal" gedraaid, ondermeer om de tochten leeg te draaien tijdens de herziening van het ontwateringssysteem van de Beemster. In februari 1970 raakte tijdens het draaien het dak van het gebouw in brand, de schade werd wel weer hersteld. Enkele jaren hierna verdween het dieselgemaal, vermoedelijk naar de Wieringerwaard.

Foto: de brandschade in feb. 1970, coll. Dirk Kuin.

Het nieuwe dieselgemaal Jacobus Bouman aan de Oostdijk bij Oosthuizen kon 700 m³/min verzetten.
Op 8 juli 1971 werd de eerste paal geslagen voor het nieuwe elektrische gemaal aan de Westdijk bij De Rijp, dat 2 miljoen gulden zou gaan kosten. Op 1 november 1973 stelde ir. F. Bontekoe, oud-directeur van de Cultuurtechnische dienst voor Noord-Holland, het gemaal Wouter Sluis in bedrijf, met een capaciteit van 352 m³/min.
Bij De Rijp was Siem Visser de laatste machinist tot het nieuwe gemaal gereed kwam, en hij overleed kort daarna. Bij Oosthuizen was E. Delmaar P. Verweel opgevolgd, en werd later tevens machinist van het automatisch bediende gemaal Wouter Sluis. Later werd ook het gemaal Jacobus Bouman geëlektrificeerd, dat heeft nu een capaciteit van 410 m³/min. Samen pompen beide gemalen jaarlijks ca. 25 miljoen m³ water uit de Beemster weg. Ter relativering: door verdamping verdwijnt ook nog eens ca. 37 miljoen m³ per jaar!


Highslide JS Bij het jubileumfeest in 1887 reden er in de feestoptocht twee wagens mee die bijzondere aandacht trokken: "op de eene was nl. een windmolen, op de ander een juist model van een stoomwatermachine geplaatst, het sprekend bewijs, dat wij met onze tijd meegaan".

Foto links:
Ter gelegenheid van het 325-jarig bestaan van de Beemster, werd in 1937 op een erepoort het verschil in bemaling uitgeduid: rechts een door Jan van Egmond te Noordbeemster (klik voor informatie) gemaakte miniatuurmolen, en links een miniatuur stoomgemaal.

Highslide JS


De vader van Dirk Kuin met een model van het stoomgemaal aan de Noorddijk, dat nog steeds op zolder staat.
Foto: coll. Dirk Kuin.


Verder naar Verwijzingen
Impressum
plaatje Klik hier voor de Indexpagina

© 2005-2014 Michiel Hooijberg