plaatje
De poldermolens van de Beemster -- Bestek
Indexpagina
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De poldermolens van de Beemster
Opbouw
Locaties
Bedrijf
Ontevredenheid
Afbraak
Stoomgemalen
Verwijzingen
Jan van Egmond
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?

Bestek, waarnaar de Hoofd-Ingelanden van de Beemster besteden willen,
verscheidene achtkante watermolens, op dato 31 December 1607 en 1 Januarij 1608.


Voor de beeldvorming heb ik de metrische maten tussen teksthaken toegevoegd,
uitgaande van de Amsterdamse voet van 28,31 cm en 11 duim per voet.

Art. 1
In den eersten zal de aannemer gehouden zijn den molen wijd te maken 34 voet [9,63 m], naar den strekel te meten, te weten aan den buitenkant van den stijl.

Art. 2
Boven zal de molen wijd zijn: de buitenkant van de kuip 22½ voet [6,37 m].

Art. 3
De 8 stijlen zullen elk lang wezen 34 voet [9,63 m] behalve de pennen.

Art. 4
De stijlen zullen onder dik wezen 16 duim [41 cm] vierkant stijf, en de boveneinden 12 duim [31 cm] vierkant, met blokeels, lang 2 voet 4 duim, dik 13 duim vierkant [67 x 33 cm]; met nog aan ieder stijl een kloot of klamp dik 6 duim, lang 5½ voet [15 cm x 1,56 m] en met eene pen en in het blokeel gewrocht en genageld.

Art. 5
De 7 onderste taflementen zullen elk breed wezen 15 duimen, dik 12 duim [39 x 31 cm], en in plaats van het achtste taflementstuk voorbij de waterdeur een staande rigchel daarboven van 10 duim [26 cm] vierkant, lang naar den eisch, wel verzorgd en strekt gewrocht.

Art. 6
De bovenste taflementstukken zullen dik wezen 6½ duim en 18 duim breed [17 x 46 cm] .

Art. 7
De dwarsstukken, die op het bovenste taflement zullen liggen, zullen dik wezen 4 duim en 15 duim breed [10 x 39 cm].

Art. 8
De rolring zal breed wezen 13½ duim, dik stijf 4 duim [35 x 10 cm], en daar zullen wezen 36 rollen van goed ijpen hout, lang en hoog 8 duim [21 cm].

Art. 9
De bovenste ringstukken zullen dik wezen 6 duim [15 cm], en 9 duim [23 cm] dik onder de voethouten, en 13 duim [33 cm] breed, wel verstaande dat het achterste stuk daar men de rollen uit en in steekt, zal breed wezen 16 duim [41 cm].

Art. 10
De kuip zal dik wezen 15½ duim en 17 duim breed [40 x 44 cm], en de keerscheenen die daarin komen, zullen wezen 36 paar, breed en dik naar den eisch en van goed ijpenhout gemaakt, en de kuip met de bovenste ringstukken zullen met haaklasschen in malkander gewrocht worden.

Art. 11
De bovenste balken zullen lang wezen naar den eisch, dik in het midden te meten 11½ duim vierkant [30 cm], den bovenkant van dezelve balken zal men leggen 5½ voet [1,56 m] beneden den bovenkant van het blokeel, de bovenste rigchels van gelijke hoogte om den zolder daarop te leggen.

Art. 12
Den zolder zal men maken van goede dikke Denemarksche deelen, met ribben daar onder, daar de deelen op liggen zullen, elk 5 duim vierkant [13 cm].

Art. 13
De bovenste karbeels zullen lang wezen behalve de pennen, 6½ voet [1,84 m], en dik gelijk de balken.

Art. 14
De onderste balken zullen lang wezen naar den eisch, dik in het midden te meten 12½ duim in het vierkant [32 cm], en de bovenkanten zullen hoog liggen 17 voet [4,81 m] uit den bovenkant van het ondertaflement.

Art. 15
De onderste karbeels zullen lang wezen 7½ voet [2,12 m] behalve de pennen, dik als de balken.

Art. 16
De balken merkelijk in malkander gewrocht, ieder keep 2½ duim [6 cm].

Art. 17
De rigchels zullen dik wezen 6½ duim, en breed 7½ duim [17 x 19 cm], en in elken voet zullen wezen 4 rigchels; de onderkant van de benedenste rigchel zal 7 voet [1,98 m] van den bovensten kant van het taflement liggen.

Art. 18
De kruisbanden zullen breed wezen 7½ duim, dik 5½ duim [19 x 14 cm], en in elken voet zullen wezen 4 kruisbanden, de ondereinden zullen komen 4 voet [1,13 m] van het taflement, en de boveneinden nabij de bovenrigchel, lang naar den eisch.

Art. 19
De karbeels onder het bovenste taflement zal men lang maken 5½ voet, behalve de pen, dik 7 duim vierkant [156 x 18 cm].

Art. 20
De voeghouten zullen wezen lang naar den eisch, op het zwaareind hoog 17 duim en 16 duim breed of dik [44 x 41 cm]; op het ligte einde 12 duim vierkant [31 cm], met bekwame zegen of bogten, dat het wiel en vang wel gesteld kunnen worden.

Art. 21
De windpeluw zal hoog wezen 18 duim, dik 17 duim [46 x 44 cm], lang naar den eisch, en de buitenkant zal 12 duim [31 cm] buiten den buitenkant van de kuip zijn.

Art. 22
Nog zal men maken eenen stuiver midden onder de windpeluw, met eene pen in den kruisbalk, met een keepje in het ringstuk, dik 6 duim [15 cm], breed naar den eisch.


Art. 23
De peerbalk zal dik wezen 14 duim en 16 duim breed [36 x 41 cm], met eene neerhangende bogt, dat de roeden wel vrij kunnen gaan, lang naar den eisch.

Art. 24
De ijzerbalk zal dik wezen 13 duim vierkant [33 cm], lang naar den eisch.

Art. 25
De 2 windasbalken zullen dik wezen 10 duim vierkant [26 cm], in het midden te meten, lang naar den eisch van het werk.

Art. 26
De 2 windaskoppen zullen dik wezen 6 duim, breed 16 duim [15 x 41 cm] en lang naar den eisch.

Art. 27
Daarin zal men maken een goed windas met 6 spaken, zoo als dat behoort.

Art. 28
Nog zal men maken 4 karbeels aan de windaskoppen, elk dik 6 duim en 7 duim breed [15 x 18 cm], lang naar den eisch van het onderwerk.

Art. 29
De kovelentebalk, achter daar het kozijn op staat, zal dik wezen 10 duim vierkant [26 cm], lang naar den eisch.

Art. 30
Het achterste kozijn, daar de wip doorgaat, zal moeten hoog wezen 3 voet, wijd 2½ voet [85 x 71 cm], de stijlen dik 5½ duim vierkant[14 cm].

Art. 31
De keerstijlen aan de as zullen dik wezen 7½ duim vierkant [19 cm], lang dat de steen en de as daar in liggen kunnen.

Art. 32
De hoekstijlen van dien zullen dik wezen 7 duim vierkant [18 cm] en lang naar den eisch.

Art. 33
De keerstijl daar de as tegen aangaat, zal gestut worden met een karbeel van 7 duim vierkant [18 cm], lang naar den eisch.

Art. 34
Het balkje waarop het kozijn of keerstijl ligt, zal dik wezen 7 duim vierkant [18 cm], lang naar den eisch, en het kovelent zal men bekleden met wagenschot in malkander gepast, met eene winddeur om in en uit te komen.

Art. 35
De spruiten van den kap zullen dik wezen 5 duim vierkant [13 cm], aan iedere zij 9 spruiten, lang naar den eisch, met kromme wurmten op de spruiten om om de sparren op te zetten, die bekwaamlijk oversteken voor het inwateren, dik 4 duim en 4 duim breed [10 x 10 cm].

Art. 36
Den kap zal men maken van goede roomsche kapravens met zijn behoorlijk werk en gordingen, dat de kap niet verschieten kan, en daarin te werken 2 eiken spanten ter bekwamer plaats, dik 6 duim vierkant [15 cm] met 2 hanebalken. En de kapravens zal men schillen en zij zullen van malkanderen staan 10 duim [26 cm], niet meer.

Art. 37
De groote as zal lang wezen naar den eisch, dik in den hals 30 duim [77 cm], en aan het ligte eind 21 duim [54 cm], de hals 13 duim lang [33 cm], en tussen den hals en de roeden 3 duim [8 cm]. Het hoofd van de as vierkant, van den hals af; de roêgaten, dik 13 duim, lang 15½ duim [33 x 40 cm], het hoofd lang 21 duim [54 cm] behalve de walpen, te meten van het voorste roêgat af.

Art. 38
Nog zal men maken over het achtereinde van de as eenen sterken stormband van 12 duim vierkant [31 cm], wel met neuten op de voeghouten gesloten, dat de as niet uitligten kan, als de wind van achteren komt.

Art. 39
De borsten van de roeden zullen lang wezen 56 voet, dik 12¾, breed 15 duim [15,85 m, 33 x 39 cm] met greenen lasschen, lang en dik naar den eisch van het andere werk. En de roeden wel geboord met eene bekwame schoot naar boven toe, tot welstand van den molen, dat de timmerman daar eer van hebben kan.

Art. 40
De hekken zal men maken van goede doorgezaagde kapravens, die wel getopt zijn, lang 10 voet [2,83 m] met 4 zoomen, ieder eind de voorhekken niet lang, opdat de achtereinden te beter schot en gang zullen maken.

Art. 41
De latten van den molen zullen van doorgezaagde, geschilde kapravens zijn, dwars over de stijlen en kruisbanden gespijkerd, zoo wijd als de dekker dat ordineren zal.

Art. 42
Het bovenwiel zal groot wezen 9½ voet [2,69 m] over het kruis te meten, met 52 kammen van mispelenhout, met eenen goeden sterken vang van goed wilgenhout; op dat wiel met een sterke lip naar advenant, de leden wel sterk gesloten, dat men den molen daarmede houden en dwingen kan, de onderste leden van van gelijken met eenen knip- of vangstok aan het einde van het achterste lid, om neer te halen of te dringen. Dat wiel zal men steunen met 4 stutten, elk dik 4 duim vierkant [10 cm], lang naar eisch.

Art. 43
De armen van het wiel zullen dik wezen 7 duim, breed 13½ duim [18 x 35 cm], lang naar eisch.

Art. 44
De plooijen zullen dik wezen 6½ duim, breed 13 duim [17 x 33 cm], met karbeels in de hoeken gesloten, op eenen tand wel vastgenageld.

Art. 45
De vellingen zullen dik wezen 4½ duim, breed 9½ duim [12 x 24 cm], van goed droog ijpenhout.

Art. 46
De bovenste schijfloop zal wezen van goed droog ijpenhout, en de schijfplaten zullen dik zijn 5 duim [13 cm], 5 met 18 staven daarin van droog mispelenhout.

Art. 47
Het onderwiel zal groot wezen 14 voet [3,96 m] in het kruis te meten, met 66 kammen van goed eikenhout, de kammen van beide de wielen geschoord, als de wielen eerst wel regt gehangen en gesteld zijn, met 4 steunsels aan het wiel als in het bovenwiel verhaald.

Art. 48
De armen van het onderwiel zullen dik wezen 7 duim en breed 17 duim [18 x 44 cm].

Art. 49
De plooijen van het genoemde wiel zullen breed wezen 32 duim, dik 7 duim met karbeels in de hoeken op eenen tand wel vastgenageld.

Art. 50
De vellingen van het onderste wiel zullen dik wezen 4½ duim, breed 10 duim [12 x 26 cm], van goed eikenhout.

Art. 51
De bak zal groot wezen naar den eisch van het wiel, en de planken dik 3 duim [8 cm], met 4 hoekstijlen naar den eisch en de planken op malkanderen gestreken, wel vast bezorgd en aan de binnenzijde digt gedreven en de buitenzijde getengeld en gepekt, en de voornoemde bak wel gestut dat hij niet rijzen kan, sterk en wel bezorgd.

Art. 52
De onderste schijfloop zal wezen van goed droog ijpenhout, en de schijfplaten zullen dik wezen 5 duim [13 cm], met 16 staven daarin van goed droog mispelenhout.

Art. 53
De onderste kammen zullen lang zijn 18 duim en de bovenste kammen 17 duim [46 resp. 44 cm], de staven van beide de schijfloopen zullen lang zijn 2 voet [56 cm]; de dikte van de kammen en staven naar behooren, een ieder naar zijne proportie, dat ze malkander vatten kunnen en daarop wel loopen mogen. De gaten van de kammen zullen vierkant zijn. Opdat de hoofden van de kammen te breeder zullen vallen en meerder hout zullen hebben om te slijten, zal de binnenkant van de gaten even ver wezen van den buitenkant van het wiel.

Art. 54
De spil zal dik wezen 10 duim vierkant [26 cm], stijf in het midden te meten, de lengte naar den eisch van het werk.

Art. 55
De stoelbalk zal lang wezen 20 voet, en dik 15 duim vierkant [5,66 m resp. 39 cm], en de stoel zal een weinig van het afhangen, om de grootte van den schijfloop.

Art. 56
Het kalf of bovenste hoofd zal lang wezen 6½ voet, dik 14 duim, breed 17 duim [184 x 36 x 44 cm] met eenen wervel daarop, daar de pan in staan zal om de spil op te rusten met zijn toebehoren, om ligtelijk af en aan te brengen.

Art. 57
De stijlen van den stoel zullen dik zijn 14 duim vierkant [36 cm], lang naar den eisch.


Art. 58
De staartstukken zullen lang wezen 10 voet [2,83 m], gewrocht met zwaluwstaarten op den balk, dik 9 duim, breed 16 duim [23 x 41 cm]; nog zal men de stijlen maken onder en boven met dubbele pennen en gaten.

Art. 59
De 4 karbeels zullen dik wezen 13 duim vierkant [33 cm]; die zal men werken met tanden onder in de staartstukken, en boven met een tand tegen het hoofd aan.

Art. 60
De wateras zal dik wezen 18 duim vierkant {46 cm], de lengte naar den eisch.

Art. 61
Het scheprad zal groot wezen 18 voet naar den strekel te meten, en 14½ duim breed [5,10 m resp. 37 cm].

Art. 62
De armen van het scheprad zullen dik wezen 7 duim [18 cm], en op het ligte eind 4 duim [10 cm], breed als boven vermeld.

Art. 63
De staartstukken zullen dik wezen 6 duim [15 cm], breed als de schoppen met ijzeren houvasten, over de vergadering lang naar eisch.

Art. 64
De spruiten van scheprad zullen dik wezen op het zware einde 4 duim, en het ligt einde 2½ duim [10 resp. 6 cm], in elk vierendeel 5 spruiten.

Art. 65
Het scheprad zal men maken met dubbele pennen en gaten.

Art. 66
De banden van het scheprad zullen dik wezen 2½ duim, en breed 5 duim [6 x 13 cm], de lengte naar den eisch van het werk met bekwame bogten.

Art. 67
De stijlen van het waterdeurkozijn zullen met bekwame bogten wezen en dik 10 duim, en breed 13 duim [26 x 33 cm], daar de deur tegen aanstaat, lang naar den eisch, met een dwarsbalkje boven over gesloten voor het toezijgen van den waterloop, dat zal dik wezen 10 duim vierkant, lang naar den eisch. Het voornoemde kozijn zal wijd wezen 16½ duim [42 cm] en boven een duim wijder voor het toezijgen. En aan het kozijn zal men eene goede sterke waterdeur maken, wel gehangen en digt gewrocht, om het water te stuiten; nog zal men een plank maken tegen den drempel van het kozijn wel digt gewrocht, met twee palingplanken aan de zijden, om het water niet ter zijde om te laten loopen.

Art. 68
De diepte van den watergang onder het scheprad zal diep wezen: de bovenkant van de sloof en de bovenkant van den bodem 7½ voet [2,12 m], en de scheppen zullen 2 voet [57 cm] in het water gaan, op het laagste water of zoo veel min of meer als men in het stellen ordonneren zal. De ring zal hoog wezen van den binnensten bodem af 3½ voet [99 cm], met een fraaije ronde bogt naar de rondte van het scheprad.

Art. 69
Den waterloop zal men aan het binnen- en buiteneinde 3 duim [8 cm] dieper maken, opdat men den bodem aan de einden wat lager kan leggen, om het water wel in en uit te kunnen schieten.

Art. 70
Dezen watergang zal men bekleeden met goede Deventer planken, zes uit een voet en die binnen aangevoerd zullen worden, 20 voet lang [5,66 m] en mede zoo dik, te weten zoo ver als het scheprad belangt, daar de aarde achter tegen aankomt, altemaal op malkanderen gestreken en wel digt gewrocht.

Art. 71
De sloven van den watergang zullen dik wezen, onder de wateras te meten, 12 duim en breed 14 duim [31 x 36 cm] met bekwame bogten, dat het binnenwater wel inschieten kan; de bogt beginnende van de wateras af zoo wijd als het van de pilaren vallen kan. En de watergang zal wijd wezen naar den eisch van het scheprad, onder een duim gangs aan iedere zijde voor het toezijgen, met een dwarsbalkje regt achter het scheprad, wel bezorgd, mede voor het toezijgen.

Art. 72
De sloven nevens het scheprad zullen lang zijn 32 voet [9,06 m], altemaal met sponning gemaakt, daar de planken in komen zullen. En voorts zal de heele waterloop met pennen en gaten gemaakt worden wel vastgenageld.

Art. 73
De stutten of stijlen van den waterloop onder de sloven zullen lang wezen naar den eisch en dik, altemaal zoowel binnen als buiten, 6½ duim vierkant [17 cm], en de kanten eenen voet van malkander, te weten daar het scheprad gaat, en buiten en binnen een half voet wijder, te weten 1½ voet tusschenbeide [42 cm].

Art. 74
De kespen of drempels onder de stutten zullen lang wezen naar den eisch en dik 6½ duim vierkant [17 cm], met zandstrooken onder de kespen van de waterdeur af, tot binnen toe of zoo ver als de waterloop binnen loopt.

Art. 75
De sloven aan het buiteneind van het waterdeurkozijn af, zullen lang wezen 24 voet [6,79 m]; den bodem en de zijden zal men beplanken tot de einden van de sloven met stutten en drempels als voren verhaald, buiten wijd 7 voet [1,98 m]; de bodem zal beneden den drempel liggen 1 voet en 2 duim [33 cm], en de sloven zullen 6 duim [15 cm] lager liggen dan de groote sloven, opdat die hellende, het water wel zal kunnen aflopen en dat het eind van de helling over de buitenste sloving zal heen lopen.

Art. 76
Van beide de buitenzijden van de groote sloven zal men deze helling maken van karvielplanken, wel digt gewrocht, de breedte naar gelegenheid van de pilaars en waterbak, zonder hooge schermten op den kant van den waterloop, zoodat het water zonder verhindering buiten wel ter zijden afloopen kan en hetgeen eens buiten gemalen is, niet weder op de scheppen te ontvangen, om den molen niet met dubbel werk te belasten; met kleine schermpjes aan den kant van de helling, om het water niet in den molen te doen loopen, met nog een scherm van den wateras af naar het binnenwater toe, aan de binnenzijde van den molen, hoog 8 voet [2,26 m] van goede deelen, met 2 ribben om het scherm aan te spijkeren.

Art. 77
Nog zal men maken 6 balkjes over het buiteneind van den watergang, en nog 6 over het binneneind, dik 7 duim en breed 8 duim [18 x 21 cm], lang naar eisch, om op dezelve balken met oude scheepsplanken die goed zijn, de bruggen te maken of te overzolderen. De buitenste balkjes zal men zoo hoog leggen als ze vallen kunnen, met kleine keepen aan de einden van de balkjes op de sloven voor het toezijgen, dat er het water wel onder door loopen kan.

Art. 78
Nog zal men de molens bekleeden met goede lange Sondsche of Denemarksche deelen, dwars over malkanderen: in elk vak een stijl in het midden van 6 duim vierkant [15 cm], met een deelen lijst, daar het riet of dak op rusten kan, met twee bekwame deuren om in en uit te gaan, en eene deur om aan het scheprad te komen.

Art. 79
De trapboomen zullen lang wezen naar den eisch, de onderste 6 duim vierkant [15 cm], de trappen lang 2½ voet, breed 6 duim [71 x 15 cm], dik naar den eisch, met behoorlijke leuning van greenen hout.

Art. 80
Nog zal men in den molen maken een kamertje met eene bedstede om in te logeren, van goede deelen, binnen geschaafd, de rigchels van kapravens.

Art. 81
Alle de nagels, waarmede men de werken zal sluiten, zullen gemaakt worden op hunne behoorlijke dikte en lengte, vrij wat doorstekende, dat men die kan visiteren, en alle van goed droog taai hout.

Art. 82
Voorts zal men alles op het best maken met pennen en gaten en zwaluwstaarten, zonder te ligt daarvan te scheiden, zoo dat den opzieners, die door de besteders over het werk gesteld zullen worden, contentement zal gedaan worden in redelijkheid.

Art. 83
Nog zal de aannemer gehouden wezen te leveren twee pensteenen en twee halssteenen, van de beste.

Art. 84
De aannemer zal mede gehouden wezen al het ijzerwerk aan den molen dienende, te laten, en aan te slaan en te sluiten naar behooren.

Art. 85
De molens zal men maken van goed Hasseltsch Deventer of Westfaalsch hout, behalve de bakken, karbeels, kruisbanden, rigchels, spruiten van de kap en spil, hetwelk men van ander goed eikenhout zal mogen maken, als voorts Luiksch- of Sommerhout zonder rodollen of vurig hout of ratelstang of zonder onredelijk spint of vaarkant naar den eisch van het werk, noch noorsch ijpenhout.


Art. 86
Al het voornoemde houtwerk zal gemeten worden van lengte, breedte en dikte volgens het bestek, met Alkmaarsche voeten en duimen, te weten 12 duimen op een voet.

Art. 87
Indien in het bestek iets mogt verzuimd of niet verhaald wezen, hetwelk nogtans den molen noodig zal wezen, zoo zal de aannemer gehouden zijn hetzelve te maken naar den eisch van het bestek, en tot believen en goeddunken van de gecommitteerden daartoe gesteld, voor welk overwerk de aannemer nogtans geen buitenloon zal mogen eischen, en zoo daar iets te kort gewrocht ware, zal men hetzelve korten.

Art. 88
Zoo daar bevonden wordt eenig hout gewrocht te wezen met zoodanige gebreken, als te voren verhaald is, hetzelve zullen de besteders mogen afkeuren of doen afkeuren door lieden deskundig; hetwelk hout alzo afgekeurd zijnde, zal dan verbeurd wezen, en zal de aannemer in de plaats van dien ander, goed hout moeten werken naar den inhoud van het bestek; welke opneming zal geschieden op den molenwerf, aleer de molen gerigt wordt, tot welke plaats de aannemer zal gehouden wezen, op zijne eigene kosten den molen te brengen.

Art. 89
De aannemer zal gehouden wezen, den molen te volmaken, op te rigten en gangbaar te leveren, den eersten dag van Mei e. k.; den tweeden molen veertien dagen of langstens drie weken daarna, en al het werk daartoe te doen; mits conditie, dat de besteders den grond zullen doen heijen en het gerijf doen van het aardewerk af te graven, om den waterloop met de bak te stellen, en bij faulte of gebrek van de voornoemde levering op zijnen tijd, zal men hem korten voor elken dag ƒ 6; en zoo wie eenen molen aanneemt, zal voor denzelfden prijs of koop er nog eenen mogen maken, en 14 dagen of 3 weken te langste meer tijd hebben om den tweeden molen te leveren, en dat op de conditiën en boeten voor verhaald.

Art. 90
De beloofde penningen van de besteding zal men betalen, het eerste derdedeel drie of vier weken na de besteding, en een ander derdedeel zes weken nadat de molen gangbaar geleverd zal wezen, en het laatste derdepart acht maanden daarna; mits dat de aannemer zal gehouden wezen voor de voldoening van de aanneming, mitsgaders voor de penningen die hij ontvangen zal, borg te stellen tot genoegen van de besteders.

Verandering van eenige punten in het bestek

[Hier volgt een beschrijving van de afwijkende punten van de twee molens die volgens de uitvinding van Pieter Pietersz. en Pieter Claesz. gebouwd zouden worden, met twee schepraden in plaats van één, en andere overbrengingsverhoudingen. Of deze twee molens werkelijk gebouwd zijn is niet bekend.]

Art. 1
Men zal maken twee schepraden, elk lang 17 voet [4,81 m], het eene breed 18 duim, het andere 14 duim [46 resp. 36 cm], en twee waterloopen, wijd elk 3½ voet [99 cm] en aan de einden zoo wijd als het van de pilaars vallen kan, welke twee schepraden aan eene wateras gesteld zullen worden, door den molen heen, tot aan de buitenkant van de waterloopen, en zal op drie steenen liggen, twee aan de einden en een in het midden.

Art. 2
Men zal maken een deurtje aan de waterlopen, vast aan de rijzing, met een lid dat van het water van onder op toegedrongen wordt.

Art. 3
De rijzing zal met twee leden of hengsels zijn, elk deurtje een voet, en de waterloopen zullen aan het binneneinde elk eene schutdeur hebben, zoo wijd als de waterloopen.

Art. 4
De waterloopen zullen aan de wateras daar de lepels ingaan eng zijn, te weten 2 duim [5 cm] aan elke zijde spelens van de scheppen, en derzelve engte van eiken planken gemaakt, zal gehecht zijn aan de twee stijlen van de wateras af, tot op den bodem van de waterloopen toe, en aan de rijzing.

Art. 5
Het bovenste wiel zal groot zijn, in het kruis te meten 10 voet 3 duim [2,91 m], en de kammen zullen een voet binnen den kant staan, en daarom zal nog eene velling binnen liggen, om de kammen in te steken, die wezen zullen 44 in getal.

Art. 6
Het onderste wiel zal groot zijn 14½ voet [4,10 m], in het kruis gemeten, en zal hebben 60 kammen.

Art. 7
De bovenste schijfloop zal hebben 22 staven, de onderste schijfloop 20 staven.

Art. 8
Het voornoemde gaande werk van schijfloopen en wielen zal in dikte, lengte en zwaarte wezen volgens den inhoud van het bestek, ook van zulk hout.

Art. 9
De tijd om de molens gaande te leveren op de Beemster, wordt veranderd tot op den laatsten dag van Mei 1608, en dat van alle de molens, zoowel diegenen die voor tweede als voor eerste molens zullen dienen.

Art. 10
En tot nadere verklaring van deze verandering zullen de Hoofd-Ingelanden ordonneren zekere personen, die den aannemers van alles zullen volkomen onderrigting doen.

Terug naar Opbouw
Impressum
plaatje Klik hier voor de Indexpagina

© 2005-2014 Michiel Hooijberg