plaatje
De poldermolens van de Beemster -- Afbraak
Indexpagina
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De poldermolens van de Beemster
Opbouw
Locaties
Bedrijf
Ontevredenheid
Afbraak
Stoomgemalen
Verwijzingen
Jan van Egmond
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?

Volgens overlevering zou de Pelmolen Ter Horst in Rijssen in 1752 zijn gebouwd met gebruik van een afgebroken poldermolen uit de Beemster, maar het is uitgesloten dat er in de Beemster toen een molen overbodig was. Ten eerste is hiervan niets aangetroffen in de archieven, ten tweede kan niet zomaar een enkele molen uit een schepradgang verwijderd worden, de overige zouden dan ook werkeloos worden, ten derde had de Beemster juist behoefte aan meer uitmaalcapacitiet, niet minder.

In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam er een efficiënter en betrouwbaarder alternatief voor de windmolens beschikbaar: de stoommachine. Onder andere de bekende Beemsterling Wouter Sluis (1827-1891, veehouder, uitvinder, bestuurder) drong aan op vervanging van de windmolens door stoombemaling. In de periode 1877-1885 werden stoomgemalen gebouwd bij Oosthuizen, Beets en De Rijp.

Als eersten werden op 4 juni 1880 de vier molens van de Draaioordergang bij publieke verkoop verkocht voor ƒ 1780. Op 9 september 1880 vond bij de ondermolen een verkoping plaats van werk- en brandhout, metselsteen en puin. Het brandhout was reeds aan blokken gezaagd.

Op 25 mei 1882 werden weer 10 molens aangeboden, van de Jispergang (3), de Graftdijkergang (3) en de Woudergang (4). Negen molens werden verkocht voor een totaal van ƒ 3570,-, één molen aan de Jispergang werd opgehouden op een bedrag ƒ 390. Op 22 juni werd die molen onderhands verkocht aan K. Bouman voor ƒ 440, de 10 molens brachten dus tezamen ƒ 4010 op. De percelen waarop deze molens stonden brachten ook nog eens ƒ 7733,55 op.
Blijkens een advertentie in de Purmerender Courant van 2 juli 1882 verkocht deurwaarder J. Vogel op 5 juli 1882 op het Woud, en op 6 juli bij het geamoveerde Graftijkergang: "ijzeren en houten molenassen, roeden, bindten, spanten, stijl- en rondhout, kozijnen, ramen, deuren, zolder-, vloer- en schotdeelen, strooisel en dekriet, enz."
Op 9 augustus werden op het terrein van de geamoveerde Wouder molen, bewoond door Simon Langenberg, de onderdelen van de molen publiekelijk verkocht. Op 24 augustus werden onderdelen van de Jisper molens verkocht. Op 22 september werden de onderdelen van de Jisper ondermolen verkocht. Deze waren om het transport te vergemakkelijken reeds aan de Ringdijk gebracht. En op 19 oktober werden aan het Graftdijker gang weer onderdelen publiek verkocht. Op 21 dec. 1882 werden een molenerf van resp. het Jispergang, het Graftdijkergang en het Woud, publiek verkocht. Op 4 mei 1883 vond aan het Jispergang nog een openbare verkoping plaats van "eiken werk- en brandhout, een ijzeren molenas en ander ijzerwerk enz.", en op 3 januari 1884 werd aanbesteed "het egaliseeren van de Woudermolenkolkdijk, enz.".

Sloop vd Beetskoogmolen in 1956 Op 17 mei 1883 deelde de dijkgraaf mede de assen en roeden van molens Nr. 25 en 28 voor ƒ 400 verkocht te hebben. 14 juni van datzelfde jaar werden de molens Nr. 25, 26, 27, 28 en 39 openbaar geveild in het Gemeentehuis te Middenbeemster. De eerste vier, van de Beetsergang, werden voor respectievelijk ƒ 380, ƒ 380, ƒ 450 en ƒ 420 verkocht. Molen Nr. 39, de Kilmolen oost, ging voor ƒ 555 van de hand. Tezamen bedroeg de opbrengst na aftrek van ƒ 40 klokgeld dus ƒ 2145.
Op 23 augustus 1883 zou deurwaarder J. Vogel "op het terrein van den geamoveerden KILMOLEN aan de Middenweg bij de Assemerbuurt te Beemster om contant geld verkoopen de AFBRAAK van die Molen bestaande in timmer- en brandhout." Op 20 augustus werden door deurwaarder J.W. Woestenburg aan het Beetsergang "eiken palen en ribben, een partij deelen, ramen, kozijnen en brandhout" verkocht. Op 29 augustus "eene aanzienlijke partij timmer- en brandhout, best dekriet, oude steenen enz." Op 5 sept. 1883 zou "op het terrein van den gesloopten Watermolen, bewoond geweest door J. Kerkhof, nabij den Oosthuizer- en Middenweg te Beemster, om contant geld worden verkocht DE AFBRAAK VAN DIEN MOLEN, als balken, enz."

Volgens een bericht in de Purmerender Courant van 10 februari 1884 werd aan de Westdijk "een kind zoodanig door een molenwiek getroffen, dat het eenige uren daarna aan de gevolgen daarvan is overleden." In de krant van 9 maart 1884 stond dat een 76-jarige molenaar in zijn molen aan de Westdijk van de trappen was gevallen. De ongelukkige was onmiddelijk dood.

Op 19 juli 1884 trof blikseminslag de ondermolen van de Kwadijkergang (Nr. 47, volgens de Purmerender Courant van 23 juli 1884 bewoond door E. Kramer, wiens inboedel was verzekekerd) en de bovenmolen van de Volgergang. In de laatste woonde volgens de Purmerender Courant de heer Schouten, die juist op het land werkzaam was toen de bliksem insloeg. "Groot was de schrik van zijn vrouw en kind, die zich in den molen bevonden en van den bakker D. die daar even was gaan schuilen ...". De restanten brachten toch nog respectievelijk ƒ 200 en ƒ 90 op. Volgens de Purmerender Courant sloeg 23 juli de bliksem in een andere molen van het Kwadijkergang in, maar "het vuur werd spoedig door den molenaar gebluscht."
Op 26 juli werden de molens Nr. 29, 36 en 37 van de Beetsergang verkocht voor respectievelijk ƒ 685, ƒ 450 en ƒ 410, of na aftrek van onkosten voor ƒ 1515 netto. Op 24 september werd aan de Ringdijk nabij Beets publiek verkocht "eene aanzienlijke partij AFBRAAK VAN EEN MOLEN, die slechts 14 jaren heeft gestaan, waaronder dientengevolge zoo goed als nieuw timmerhout en best brandhout. Voorts een partij oude steenen ..."
Op 7 november 1884 vond een houtveiling plaats aan de Noorddijk, "van een aanzienlijke partij MOLENAFBRAAK, bestaande in eiken balken, dito palen en deelen, greenen en vuren deelen, binten, ... vloer- en zolderdeelen, metselsteenen, enz."
Bericht in de Purmerender Courant van 12 nov. 1884: "Hoofdingelanden van de BEEMSTER hebben goedgekeurd het voorstel van Dijkgraaf en Heemraden, om het derde stoomgemaal te plaatsen bij het dorp Beets. Wanneer dit in gebruik zal zijn genomen, kunnen DE MOLENS geheel vervallen."

Per 1 mei 1885 moesten de resterende drie molens van de Volgergang, alsmede nog drie molens van de Beetsergang (Nr. 33, 38 en 44), door de bewoners verlaten zijn. Uit deze molens werden voor ƒ 700 zes ijzeren roeden verkocht aan het polderbestuur van de Schermer. Daarna werden op 21 mei de zes molens zelf verkocht voor ƒ 2560.

Op 1 april 1886 vond bij de watermolen aan de Nekkerweg, bewoond door A. de Groot, een verkoping plaats van "boomen, hekken, planken, palen, enz., enz. voor afbraak (P.C. 24 maart 1886). Verder werd in de Purmerender Courant van 28 april 1886 een schuur aangeboden ter verplaatsing, bij de molen No. 45.
In 1886 kwamen op 24 juni de resterende molens van de Kwadijkergang, en weer vier van de Beetsergang onder de hamer. De opbrengst van de 7 molens was ƒ 3060 na aftrek van de kosten. Volgens de P.C. van 4 juli 1886 werden er twee gekocht door J. de Vries te Purmerend voor ƒ 440 en ƒ 375, één door A. Molenaar te Middelie voor ƒ 480 en vier door G. Honijk te Purmerend voor ƒ 420, ƒ 475, ƒ 505 en ƒ 480.
Op 22 juli was er bij de Beetser timmerwerf een openbare verkoping van een partij nieuwe overgebleven artikelen. Aan de tweede molenwerf bij de Kwadijkerbrug werd op 28 juli een aanzienlijke partij hout verkocht. Op 29 juli verkocht het waterschap weer overgebleven onderdelen. Verder werd op 24 september het niet meer nodige molenmateriaal op de werf De Beets van de hand gedaan voor ƒ 855,47, slechts de helft van de taxatiewaarde. Op 26 september werd op de Nekkerweg een aanzienlijke partij zoo goed als nieuw werk- en brandhout verkocht, op 8 oktober weer een partij hout op de eerste molenwerf bij de Kwadijkerbrug. Op 23 november 1886 werd de Kilmolen west voor ƒ 900 overgedaan aan het bestuur van de polder Overdie en Achtermeer ter vervanging van hun afgebrande molen, de afbraak begon op 27 december. En op 24 november vond de laatste houtveiling plaats van de vier geamoveerde molens nabij de Nekkerweg.

Op 16 februari 1887 werd er weer molen-afbraak verkocht, bestaande in werk- en brandhout, bij het opeinde van de Nekkerweg. Op 10 juni werden er weer 7 molens verkocht, waarvan de totale opbrengst ƒ 3790 bedroeg. Dit waren volgens de advertentie in de P.C. van 5 juni 1887 de vier molens van het Rijpergang en drie molens van het Beetsergang.
Op 7 september 1887 was er weer een "houtveiling van molen-afbraak" aan de Westdijk. Op 13 oktober was er een verkoop van "molen-afbraak" aan de Kolkdijk bij de Westdijk, op 19 oktober gevolgd door een aanzienlijke partij werk- en brandhout aan de Oosthuizerweg bij de Nekkerweg. Op 9 november 1887 was er een veiling van "molen-afbraak" op de opscheping bij de Beemsterbrug.
De molenkolk in de Groote Kil, gelegen tussen de Wormerwegsloot en de Westersloot, alsmede de kolken, kolkdijken en twee molenerven van het Rijpergang werden op 8 december 1887 publiek verkocht.

En op 28 juni 1888 volgden de laatste vier molens, van het Beetsergang "staande langs den Ringdijk tusschen Beets en Oudendijk", zij brachten respectievelijk ƒ 650, ƒ 650, ƒ 580 en ƒ 530 op. De Gemeente Beemster nam de beide brandspuiten van het Waterschap over, en breidde haar arsenaal hiermee uit tot vijf stuks. Op 29 augustus en 18 november werd aan de Noorddijk tussen Beets en Oudendijk nog "molen-afbraak" verkocht: "uitmuntend werk- en brandhout, als eiken palen, ribben, planken, kozijnen, ramen en deuren, schotdeelen, 4 molenroeden, oude steenen enz., alles afkomstig van twee watermolens en liggende zeer geschikt tot het vervoer. Om contant geld."

Op 10 januari 1889 werden "de molenerven van het voormalig Beetsergang Watermolens, in perceelen, breeder bij biljetten, te zamen groot 14 hectaren, 59 aren en 40 centiaren" publiek verkocht onder leiding van notaris D. van Os uit Purmerend. "Informatiën te bekomen bij den Generalen Opzichter den Heer van Kleeff te Beemster en bij den Notaris" (P.C. 9 januari 1889). Dit was A.W. van Kleeff, die op 28 juni 1887 op eigen verzoek eervol werd ontslagen als hoofdopzichter, maar nog wel als landmeter werkzaamheden bleef verrichten.

11 april 1901 werd "de afbraak van het geamoveerde gedeelte schuur aan de werf bij de Rijp" verkocht voor ƒ 227,05 netto.

De grote windmolens zijn vanwege de invoering van de stoombemaling in de tachtiger jaren van de negentiende eeuw verdwenen, maar op veel plaatsen is door de afwijkende verkaveling nog wel te zien dat er iets gestaan heeft. De percelen waar een molengang gestaan heeft zijn vaak wat hoger dan het omliggende land, de onderdijk is veel breder dan elders of de dijksloot ontbreekt helemaal.

De kolkdijken en hoge molenwerven werden geslecht. Ongetwijfeld zijn ook nu nog in de bodem sporen aanwezig van verschillende molens, met name van de dieper gelegen delen. Men verwijderde indertijd niet meer dan strikt noodzakelijk was. Zo bleef na het slopen van de Kilmolen een ware ruïne over van waterlopen, metselwerk, fundering en kelder. Doorgaans was er in de Beemster na het afgraven van de kolkdijken ruimschoots voldoende grond om de molenkolk te dempen, waardoor de oude molengronden aan hun hogere ligging zijn te herkennen.

Highslide JS Ter gelegenheid van het 325-jarig bestaan van de Beemster, werd in 1937 op een erepoort het verschil in bemaling uitgeduid: rechts een door Jan van Egmond te Noordbeemster (klik voor informatie) gemaakte miniatuurmolen, en links een miniatuur stoomgemaal.

Tot april 2003 zat in Poldermolen E in de Schermer een zeer oude Potroede, nr. 923 uit ca. 1876, afkomstig van een Beemster-molen en met een andere hekafstand dan in de Schermer gebruikelijk. Deze oude roede wordt thans bewaard bij de Museummolen D van de Schermer.

De kap van Poldermolen M in de Schermer heeft in tegenstelling tot alle andere molens van de Schermer geen rechte maar ronde kapspanten waardoor deze een bolle vorm heeft. Ook de baard wijkt door zijn uitbundige versieringen af van andere Schermermolens. Aangenomen wordt dat deze kap afkomstig is uit de Beemster.

De gietijzeren bovenas van de bestaande korenmolen De Nachtegaal, fabr. De Prins van Oranje ('s-Gravenhage) nr. 993 uit 1875, komt vrijwel zeker van de in 1883 gesloopte oostelijke Kilmolen De Meerkat. Het spoorwiel in de korenmolen, met het jaartal 1704, het boventafelement en de kap zouden eveneens van De Meerkat afkomstig zijn. Tijdens de restauratie van het bovenwiel begin 2013 werd op een van de kammen de tekst "J. Westwijze Jz, 22 augustus 1883" gevonden. De kap werd rond 1950 verkleind tot de huidige afmetingen.


plaatje In de 1990-er jaren werden enkele nagemaakte stukken molenwiek verzonken in de onderdijk geplaatst door kunstenaar Hans Belleman, die 'als verzonken in het moeras van de tijd' herinneringen opriepen aan hoe het vroeger moet zijn geweest. Helaas konden deze wieken de weersomstandigheden niet doorstaan, het hout was verrot en de sokkels werden door het waterschap verwijderd.
In juni 2009 werden op initiatief van de Vereniging Beemsters Welvaart aan de Noorddijk weer twee "verzonken wieken" geplaatst. Ze zijn gemaakt van Groenhart-hout, als schoolwerkproject in het Samenwerkingsverband Praktijkopleidingen voor de Bouw in Zaandam, en geplaatst door molenmaker Kistemaker.
Een miniatuurwiek gemaakt door Dirk van Berge is in Agrarisch Museum Westerhem te bezichtigen.


In 2003 liet de gemeente Beemster een Beleidsnota Archeologie opstellen, klik hier om het gedeelte over de overblijfselen van de poldermolens te lezen.

Verder naar Stoomgemalen
Impressum
plaatje Klik hier voor de Indexpagina

© 2005-2014 Michiel Hooijberg