plaatje
"Het Land van Leeghwater" -- De Beemster
Indexpagina
"Het Land van Leeghwater"
Inleiding
Meningen
Schermereiland
Beemster
Purmer
Heerhugowaard
Schermer
Wijde Wormer
Enge Wormer
Starnmeer
Leeghwatergekte
Stoomtram door de Beemster en de Schermer
Tramlijn door de Purmer en de Zuidpolder
Stoomtram door de Egmondermeer
Zuiderkogge-tramlijn
De poldermolens van de Beemster
De opschepingen van de Beemster
Twintig overhalen in de Beemster?

Het initiatief

De vele veenstroompjes benoorden het IJ groeiden als indirect gevolg van ontginning na de Middeleeuwen uit tot plassen en grotere meren, die een toenemende bedreiging vormden voor het omliggende veenland. Daarna verdween het veen hier niet meer door mensenhanden, maar het kalfde vooral aan de noordoostzijde van de meren steeds verder af door de golfslag van zuidwesterstormen, en spoelde weg doordat de zee haar werking van eb en vloed tot diep in de veengebieden liet gelden. Tevens werd de bodem van deze meren door de aangelanden dankbaar afgegraven om met de vruchtbare zeeklei hun gronden te verbeteren en te vergroten. Eind zestiende eeuw werd dit kleitrekken door de overheid verboden om verdere verdieping van de meren te voorkomen.

Highslide JS
Middenbeemster. Klik voor een foto.

Het gevaar dat van de steeds uitdeiende meren uitging, kon slechts worden weggenomen door ze te bedijken en droog te maken. Door de uitvinding en eerste toepassing van de poldermolens rond Alkmaar was daarvoor wel de technische mogelijkheid ontstaan. Maar de regering van de Republiek zag zich er totaal niet toe in staat of verplicht, zodat het initiatief van particulieren uit moest gaan.

De Beemster was niet de eerste bedijking, vooral rond en ten noorden van Alkmaar waren in de voorgaande eeuw reeds tientallen kleinere en grotere moerassen en kwelders drooggelegd. Wat wel nieuw was, was dat er nu echt een meer van behoorlijke diepte en omvang zou worden bedijkt en drooggelegd, mede om schade aan de omliggende veengebieden te voorkomen.

De geschiedschrijver Hadrianus Junius (1511-1575) geeft in zijn posthuum in 1588 uitgegeven werk Batavia te kennen dat er toen en reeds voor zijn tijd "een raedslag en wil was, om deze en andere meeren te bedijken" (pag. 282). Doch eerst in 1591 werd daartoe een plan gemaakt en 1592 octrooi aangevraagd (door wie??). Dit werd pas na gereedkoming van de Zijpe verleend op 21 mei 1597, maar het zou, mogelijk als gevolg van de moeilijkheden van de Tachtigjarige Oorlog, op 21 mei 1607 verlopen zonder dat er aktie was ondernomen. Overigens werd in 1600 nog een octrooiverzoek ingediend door graaf Lamoraal van Egmond. Omdat de Staten van Holland zijn financiële positie kenden en hij zeer verkwistend leefde, wilden zij niet met hem in zee gaan. Dat was een verstandige beslissing, want in 1603 werd zijn failliete boedel verkocht.

Doordat begin zeventiende eeuw beide oorlog voerende partijen het strijden moe waren, ontstond voor de Nederlanden een gunstige handelspositie. In 1602 werd de VOC opgericht, en de schatrijke koopman-regenten en andere bestuurders zochten betrouwbare investeringsmogelijkheden voor hun kapitaal. Daarom richtten op 14 april 1607 vijftien van hen, onder leiding van Dirck van Oss, de compagnie der bedijkers van de Beemster op:

Dirck van Oss
13 mei 1556 - 1615
Antwerpen / Amsterdam
Glasblazerij-ondernemer, reder op de Witte Zee, Indië, Rusland en Middellandsezeegebied, bewindhebber VOC
plaatje Highslide JS
Middenbeemster. Klik voor een foto.
Hendrik van Oss
7 november 1555 - ca. 1623
Antwerpen / Amsterdam
Deelhebber VOC, burger
Highslide JS .
Arent ten Grootenhuys
1570 - 1615
Kampen / Amsterdam
Handelaar op de Oostzee en Spanje/Portugal, bewindhebber en kapitein VOC, Huiszittende Armenmeester
. .
Jan ten Grootenhuys
1573 - 8 januari 1646
Kampen / Amsterdam
Raad en schepen te Amsterdam, hoofdschout, handelaar, aandeelhouder VOC
Highslide JS .
Dr. Helias (Elias) van Oldebarneveldt
1558 - 20 juli 1612
Amersfoort / Rotterdam
Stadspensionaris van Rotterdam, zakenman
Highslide JS .
Dr. Rombout Hogerbeets
1562 - 7 september 1625
Hoorn / Den Haag
Doctor in de rechten, advocaat, regent van Leiden, curator Universiteit, lid Hoge Raad
Highslide JS Highslide JS
Middenbeemster. Klik voor een foto.
Mr. Nicolaas Cromhout
9 december 1561 - 23 maart 1641
Den Haag
Voorzittend Raad in het Hof van Holland, ingeland Zijpe
plaatje Highslide JS
Middenbeemster. Klik voor een foto.
Barthold Adriaensz. Cromhout
19 november 1550 - 2 oktober 1624
Amsterdam
Burgemeester van Amsterdam, handel op West-Indië, "schaamteloze zwendelaar", ingeland Zijpe, medebedijker Purmer, hoofdingeland Heerhugowaard
. .
Jacob Poppen
1576 - 14 november 1624
Amsterdam
Schepen en burgemeester van Amsterdam, stak de helft van zijn vermogen in de Beemster, Raad ter Admiraliteit, bewindhebber VOC, luitenant en kapitein stadsmilitie, overman voetboogdoelen, koopman, "Croesus van Amsterdam"
plaatje .
Pieter Cornelisz Boom
+ 26 juni 1609 (opgevolgd door zoon Abraham Pieters Boom)
Amsterdam
Zoon van lijndraaier op de Lastage, schepen en burgemeester van Amsterdam, Gecommitteerd Raad, overman voetboogdoelen, kolonel stadsmilitie
Highslide JS Highslide JS
Middenbeemster. Klik voor een foto.
Dr. Adriaan Teding van Berkhout
1571 - 19 september 1620
Hoorn / Monnickendam / Den Haag
Bestuurder van Monnickendam, Rekenmeester van Holland, lid Raad van State en Hof van Holland, stadspensionaris, participant Magelhaanse Compagnie, aandeelhouder van schepen op Afrika, Brazilië, Oost-Indië, deelnemer VOC.
Highslide JS .
Mr. Jan Buijes
+1613
Den Haag
Raadsheer Proviniale Raad, raadsheer Hof van Holland
Highslide JS .
Dr. Jan (Johan) Basius
Den Haag
Heer van Harenkarspel, Raad en Rekenmeester van Holland
Highslide JS .
Jan van Santen
Den Haag
Raadsheer in de Hoge Raad
. .
Jan Claasz. Crook
Amsterdam
Goudsmid, ingeland Zijpe, deelhebber VOC, burger
. .


Zij dienden het verzoek tot indijking op 9 mei 1607 in, en exact bij afloop van het oude octrooi op 21 mei 1607 verkregen zij het nieuwe. Uit de snelheid van handelen kan men opmaken dat de regering eigenlijk toch al de wens had iets aan het gevaar van het Beemster-meer te doen, en het initiatief van deze kapitaalkrachtigen, waaronder vele in Den Haag bekenden, direct omarmde. Het starten van deze onderneming, waarvan men de omvang nauwelijks kende en de kosten zelfs nog niet begroot had, mag stellig als een staaltje van ondernemingsdurf gelden. De regering verkocht de bodem van de Beemster voor een spotprijs aan de ondernemers, en schonk hun daarboven zeer aanzienlijke belastingvrijdommen en het bestuur van de toekomstige polder.

De uitvoering bleek dan ook veel meer tijd en geld te kosten dan gedacht. Het was een kwestie van puur geluk dat de Beemster uiteindelijk toch een zeer winstgevende investering bleek te zijn. Enkele jaren later kon dit nog herhaald worden met de Purmer, maar alle andere grote droogmakerijen bleken voor de droogmakers een financieel fiasco te worden.

De leiding van het werk en het bestuur van de toekomstige polder hielden de Beemsterheren uiteraard aan zichzelf. Wel hadden ze na de dijkdoorbraak van 1610 behoefte aan meer kapitaal, zodat 12 nieuwe deelnemers bij de onderneming betrokken werden.

Ontwerp van de Beemster

Highslide JS
Afbeelding van Cort zelf op zijn Beemstercaerte, met meetketting, pennen en de 'Hollandsche Cirkel'. Voor meer informatie hierover, klik op onderstaande rode link.
plaatje
Deel van de "Caerte vande gheleghentheyt van de Beemster met de landen die daeromme ende aengheleghen zijn, na rechte landmetersch conste op perfecte maet aldus ghestelt door Pieter Cornelisz. Cort van Alckmaer, ghesworen landmeter, anno 1607".


In 1607 kreeg de gezworen landmeter Pieter Cornelisz. Cort uit Alkmaar (overleden 1608) van de bedijkers de opdracht een kaart van het Beemstermeer te vervaardigen, en de nodige metingen en berekeningen uit te voeren.

Daarna voerden de Hoofdingelanden zelf de onderhandelingen met de omliggende bewoners en besturen over af te stane gronden voor de dijk, en over de afvoerkanalen van het Beemsterwater. Hierbij werden nog geen deskundigen geraadpleegd.

In 1607 werd het bestek van de ringdijk gemaakt door:

  • mr. Lucas Janszoon Sinck van Amsterdam
  • mr. Jan Pieterszoon Dou van Leiden
  • Augustyn Bas van Alkmaar
  • Schout Reier van Warmenhuysen
  • bijgestaan door een staf medewerkers


In 1608 werkten Sinck en consorten verder aan de concretisering van wegen en sloten [?], de dijkdoorbraken op 20 januari 1610 maakten echter de directe uitvoering van hun plannen onmogelijk.

Op 29 maart werd mr. Lukas Jans Sinck weer voor 6 maanden tot landmeter benoemd tegen een salaris van ƒ 3,- per dag, ingaande na Pasen. Toen er begin 1611 nog maar 6 voet water in de Beemster stond vroor deze dicht en konden de landmeters op het ijs aan de gang met meten en peilen, om de juiste herplaatsing van de molens te bepalen. Bij deze gelegenheid werd tevens een nieuwe kaart van de Beemster getekend, waarop 5 hoofdwegen en 4 tochten in de lengte, en 5 hoofdwegen en 4 tochten in de breedte gepland werden.

Klik hier om meer te lezen over het ontwerp van de Beemster

Tevens werden daarna de kavels uitgezet, want op 30 juli 1612 verdeelde landmeter Lukas Sinck deze door loting onder de inschrijvers, in het slot te Purmerend en onder toezicht van de Schepenen.

Op 15 maart 1613 werd aan een van de andere landmeters, Aug. Bas, gelast de door Uitwaterende Sluizen opgelegde baggerwerken van de Beemster ringvaart voor te bereiden en via aanbesteding te doen uitvoeren.

De aanleg van de ringdijk

In een vergadering van 11-13 november 1607 werden "eenige huijsluijden in verscheidenen Dorpen gecommitteerd omme met advies van den lantmeter te besichtigen op wat streckinge deselve ringdijk zouden mogen geleyt worden." Deze lokale adviseurs waren de volgende acht personen:


Highslide JS
"Jan Adriaensz. houdt toezicht bij de bouw van de watermolens in de Beemster." Links worden heipalen geslagen in een opgeworpen dijk.
Gravure door W. Steelink naar een schilderij van A. Mollinger (1836 - 1867), uitg. A.W. Sijthoff, Leiden, ca. 1880. Het originele schilderij van Mollinger is afkomstig uit de Historische Gallerij van Arti et Amicitiae, het Amsterdamse kunstenaarsgenootschap, en bevindt zich thans in het Purmerends Museum.


  • Pieter Bordes, Purmerend
  • Willem Jacobs, Graft
  • Dirck Symonsz., De Rijp
  • Jan Adriaensz., De Rijp (waarschijnlijk gevraagd vanwege zijn vriendschap met landmeter Pieter Cornelisz. Cort; Jan Adriaensz. werd extra beloning toegezegd omdat hij ook toezicht zou houden op de molenbouw)
  • de zoon van Claas Jansz., Schermerhorn
  • Pouwels Willemsz., Oosthuizen
  • Pieter Claasz., Jisp
  • de zoon van Cornelis Symonsz., Ursem

In 1608 volgde de aanbesteding van de ringdijk, verdeeld over 460 dijkparken. Nadat met enige moeite ook de stroomgaten bij Spijkerboor en Schermerhorn gedicht waren, werd de dijk in 1609 gedicht en kon het uitmalen een aanvang nemen.

Helaas waren er enkele zaken niet goed gegaan: de afmetingen van de dijk waren te klein, nog kleiner dan in het bestek verordend, vermoedelijk werd er veel geknoeid met onjuiste materialen zoals riet om snel grote stukken dicht te maken, en de bedijkers begonnen gelijk na het sluiten van de dijk met het uitmalen van het water zodat hij geen tijd kreeg om zich te zetten. Verder was de dijk voor een groot deel van veen gemaakt, zoals hieronder weergegeven:


"Een dijck van Veen,, het stof alleen,
Als 't wel gemaeckt is en bereyt:
Can wel bestaen,, Sal oock wel gaen,
Als daer veel op een hoop leyt."

Jan Adriaenszoon Leeghwater in zijn Haarlemmermeerboek, 1641.

Blijkbaar hield de dijk, of beter kade, toch wel even. Maar toen op 20 januari 1610 de Zuiderzeedijken doorbraken en het Zuiderzeewater de Beemster bereikte, werden begrijpelijkerwijs grote stukken van de verse dijk weggespoeld. Het water kwam langs Purmerend door Waterland, waardoor vooral bij Neck grote gaten in de Beemsterdijk ontstonden. Vreemd genoeg onstonden er ook bij De Rijp grote openingen, terwijl dit de van de zee afgewende zijde van de Beemster was en de kade van het Schermereiland het wel hield.
Mogelijk heeft dit (ook) te maken met de werkwijze bij het maken van de ringvaart: deze werd tijdens het graven droog gehouden, dat was immers veel makkelijker en goedkoper dan het uitdiepen van een watergang. Pas op 12 mei 1609 werd het aanleggen van de ringvaart tussen Spijkerboor en Purmerend (opnieuw?) aanbesteed. Nog op 7 oktober 1609 was door "het quade weder als anders" de ringvaart niet gereed en waren de afdammingen bij het Spijkerboorse Gat en bij Neck nog aanwezig. Hoe men toen de molens toch heeft kunnen laten werken is onduidelijk, maar mogelijk waren de de ringvaart en -dijk nog niet klaar waren toen het zeewater de bedijkers overviel.

Hierna begrepen de bedijkers dat zo'n polderdijk toch wel wat steviger moest zijn. Op 10 mei en 2 juni 1610 werd het herstel- en hernieuwwerk aan dijk en ringsloot aanbesteed. De dijk werd nu nieuw gemaakt van klei, de dijk werd breder gemaakt, en de vereiste hoogte werd op een meter boven het maaiveld van het oude land vastgesteld.
Tussen Spijkerboor en De Rijp was er zo'n ravage dat er meer landinwaarts een geheel nieuw tracé gemaakt moest worden. Ongetwijfeld zal de huijsluijden opgedragen zijn, ditmaal beter toe te zien op de naleving van het bestek! Op 22 juni 1610 was de oude ringdijk weer enigszins gesloten, maar waren de gaten bij 't Spijkerboor en 't Swet opnieuw nog afgedamd. Op 7 augustus 1610 werd besloten, 400 roeden van de oude dijk tussen Spijkerboor en De Rijp te vervangen door een nieuwe meer landinwaarts gelegene; in de loop van die maand werd dat werk aanbesteed.
Aangezien op 21 augustus 1610 de keur op de uitwatering plaatsvond, moeten ringsloot, ringdijk en uitwatering toen dicht zijn geweest. Doch in september 1610 vond nog de aanbesteding plaats van een nieuwe dijk door het Neckergat.

Het droogmaken lukte de tweede keer wel, dit was op 19 mei 1612 gereed.

[Bouman vermeldt deze datum in zijn boek. Hij lijkt zich gebaseerd te hebben op een van de jaarlijkse leerredes van dominee A. Wolff, op 31 juli 1740. De oorspronkelijke bron is niet gevonden.]
[Het Nieuw Nederlandsch Caertboek van Abraham Goos en Reinier Telle uit 1616 stelt wel erg optimistisch dat de ringdijk na 4 maanden weer perfect op orde was, en dat de molens de polder in 11 maanden (25 juni 1610 - eind mei 1611) leeg hadden gemalen.]

De bouw van de molens

Highslide JS
Borstbeeld van Leeghwater, voor het Heerenhuis in Middenbeemster.
Maker: Niel Steenbergen, 1937.

Na het bekijken van diverse nieuwigheden, besloten de bedijkers toch maar de gangbare achtkante binnenkruiers met scheprad te gaan inzetten voor de Beemster. Op 27 november 1607 reisden de Hoofdingelanden Dirck van Oss, Jan Claasz. Crook en Claas Veen (door Hoorn toegevoegde Hoofdingeland) vergezeld van de twee molenmeesters Jacob Meusz. uit Den Haag en Dirck Jansz. uit Hoorn, naar De Rijp. Ze bekeken daar de oliemolen van Jan Adriaensz. om te zien of zijn veranderingen nuttig konden zijn voor de Beemster. Dit bleek niet het geval. Tevens spraken ze met Pieter Pietersz. en Pieter Claasz. om te horen over hun uitvindingen. Die klonken zo overtuigend, dat beiden het contract kregen om alle 16 Beemstermolens te leveren.

De commissieleden maakten na afloop van hun bezoek gelijk een grof concept voor het bestek voor de molens. Vervolgens verfijnden de Hoofdingelanden het verder, lieten zich over deze versie nog door de beide molenmeesters uit Den Haag en Hoorn adviseren en corrigeren, en stelden daarna het definitieve bestek vast. Het benodigde hout werd ingekocht, en de huijsluijden Pieter Jansz. uit Graft en Jan Adriaensz. uit De Rijp mochten over de prijs onderhandelen bij de inkoop van het ijzerwerk.

Nadat bleek dat de beide hoofdaannemers zich buiten hun schuld niet aan de afspraken konden houden, werd het contract ontbonden. De molens werden verder in eigen beheer van de compagnie der bedijkers gebouwd. Pieter Pietersz. en Pieter Claasz. bleven wel samen met Jan Adriaensz., vanaf 1611 ook Leeghwater genoemd, in dienst om toezicht te houden op de molenbouw.

Voor het laatst bij de droogmaking wordt Jan Adriaensz. Leeghwater genoemd in maart 1613, toen hij samen met de andere molenmakers Jan Huibertsz. en Pieter van Stins een commissie van uit de Hoofdingelanden hielp om alle molens te bezoeken en te taxeren. Nadat de molengangen drietraps waren gemaakt werd er met ingang van juli 1613 slechts één opzichter aangesteld voor de hele Beemster, te weten Michiel IJsbrantsz. En de per oktober 1613 aangestelde secretaris Simon Pietersz. van Ilpendam kreeg een jaarsalaris van ƒ 200, "waarvoor hij [ondermeer] gehouden zou zijn opzigt te nemen op de molens en molenaars".

De eerste molens werden op de nieuw opgeworpen ringdijk geplaatst voordat de definitieve toekomstige indeling van de Beemster bekend was, op die plaatsen waar de randen van het oude land er het gunstigst voor waren. Hierdoor stonden veel molengangen naar later bleek op ongunstige plaatsen, zodat veel dure kavels doorsneden moesten worden door molentochten. Verder dachten de ondernemers en hun adviseurs wel genoeg te zullen hebben aan 16 molens om de Beemster droog te maken en te houden, uiteindelijk bleken er daarvoor 50 nodig te zijn!

Klik hier voor meer informatie over de molens

De uitvinder van de getrapte bemaling?


plaatje
Originele pentekening van Leeghwater, waarmee hij in 1633 (!) de werking van getrapte bemaling uitlegde.



Op de uitvinding van de getrapte bemaling, waarbij water over een grotere hoogte kon worden opgevoerd dan met slechts één schepradmolen mogelijk zou zijn, werd octrooi aangevraagd en verkregen door de ingenieur Simon Stevin. Bij de droogmaking van de Beemster werd zijn systeem, reeds in bedrijf in de Wogmeer (*), op grotere schaal toegepast.

Reeds in 1607 kwam de tweetraps bemaling ter sprake bij de instructie van een commissie van de Hoofdingelanden van de Beemster. Nergens blijkt dat toen over iets gesproken werd, wat in de praktijk nog totaal onbekend was.
In 1608 werden de eerste 16 molens als eerste trap ingezet. De helft was reeds als tweede trap voorbereid, kon dus verlaagd worden als het waterpeil voldoende gezakt was. In 1609 werd inderdaad de tweetraps bemaling ingevoerd, door de helft van de toen aanwezige 26 molens te verlagen. Na de dijkdoorbraken van 1610 werden ze alle tijdelijk weer als bovenmolen ingezet. In 1611 werd de derde trap gerealiseerd door ondermolens bij te bouwen in de droogvallende polder. Lang daarna werd tussen 1632 en 1636 de vierde trap ingevoerd door opnieuw het bijbouwen en verplaatsen van vele molens.

Highslide JS


Door toepassing van de aan het scheprad superieure vijzel, reeds in 1634 door Symon Hulsbos gepatenteerd, leek met één trap minder te kunnen worden volstaan. Met uitzondering van de Starnmeer zou het echter nog tot het midden van de negentiende eeuw duren aleer de poldermolens in de omgeving van het Schermeiland werden vervijzeld, en de besparingen ervan vielen nogal tegen.

(*) De Wogmeer was een niet erg spectaculaire droogmaking: het meer was ondiep, en lag gemeen met het polderwater van de omliggende dorpen. Daardoor kon in de polder worden volstaan met tweetraps schepradbemaling (vanaf 1803 eentraps vijzelbemaling) en hoefden de dijk niet hoog en de ringvaart niet breed te zijn. Op de foto de zuidelijke "dijk" en "ringvaart" in april 2013, vroeger zullen ze overigens wel wat hoger en breder zijn geweest ....


Conclusie

Leeghwater wordt in de officiële stukken over de droogmaking van de Beemster dus slechts twee maal genoemd: als één van de acht rondleiders van de bedijkers, en als één van de vijf toezichthouders bij de bouw van de watermolens. Dat Leeghwater zo'n beetje in zijn eentje de Beemster zou hebben drooggemaakt en ontworpen, is een verzinsel dat is gebaseerd op zijn eigen boekje, geschreven lang na de droogmaking van de Beemster. Dat boekje is tot in de 19e eeuw vele malen herzien en heruitgegeven, de verhalen erin zijn geromantiseerd en aangedikt en worden door oppervlakkige onderzoekers vaak klakkeloos als waarheid beschouwd.

Verder naar De Purmer
Impressum
plaatje Klik hier voor de Indexpagina

© 2005-2014 Michiel Hooijberg